Posts tonen met het label Aankomst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Aankomst. Alle posts tonen

Eindelijk gevonden!

Na aankomst op Curaçao in 1961 betrokken wij een huis aan de Ilandweg. Daar hoorde ik voor het eerst dit liedje. Een collega van mijn vader had het nummer meegenomen na zijn verblijf in Suriname. Het is mij altijd bijgebleven. Ik heb er lang naar gezocht. Dat was lastig omdat ik de titel niet kende. Ik heb wel de tekst van het refrein gebruikt als zoekargument. Daarbij heb ik het woord swietie op diverse manieren getypt, maar dus niet als switie. Ik kreeg van alles te zien en te horen, maar niet het nummer dat ik zocht. Totdat ik achter een deel van het refrein swietie sranang als extra 60's  aangaf. Toen kwam het nummer tevoorschijn! Maar dan als switie. Leve YouTube!!
Nu even wegdromen, terug naar Curaçao. Met Switie Sranang van Gordon MacDonald : 

Ons huis

Met Joop op de achterplaats
Het huis aan de Ilandweg was een villa vergeleken met de halve duplex woning in de Resedastraat met dat balkonnetje. Er was een ruime huiskamer, keuken en douche met toilet. Er waren drie slaapkamers. Twee aaneengesloten, dan de douche met toilet en vervolgens weer een slaapkamer. Het geheel had de vorm van een U. Aan de andere kant bevonden zich de keuken en een werkhok, dat ook wel de meidenkamer werd genoemd. Er werd gezegd dat daar het personeel overnachtte. In de keuken werd gekookt op gas, dat in twee enorm grote flessen (of was ik nog zo klein?) werd aangeleverd. De kolenboer was een gasman geworden. De flessen stonden onder het keukenraam tegen de muur.
Aan de voorzijde was een veranda met twee trappen : een aan de voorkant en een aan de kant van de buren.  Aan de achterkant bevond zich een plaatsje waar ook een waterpomp (had veel weg van een lenspomp) aanwezig was. Die was gemonteerd op de muur tussen de keuken en het werkhok. Met die pomp kon je het regenwater, dat onder het huis in een groot bassin was opgeslagen, naar boven pompen.
Achter bevond zich ook een ruime tuin met een paar grote bomen, waaronder een heuse palmboom! Dat was dus klimmen geblazen voor de boys. Behalve voor de kleine David, want die viel uit een van de bomen, die in een hoek van de tuin stond. De oorzaak was een kleine omissie in de communicatie mijnerzijds. We waren een boomhut aan het bouwen. Om te voorkomen dat mijn broer Ruud naar boven zou klimmen, had ik het touw losgemaakt. Het hing er nog wel, maar dus niet vast. Broertje David was bij mij in de hut in aanbouw. Ik had hem niets verteld over dat touw. Toen hij geroepen werd door mamma, dacht hij aan dat losse touw naar beneden te kunnen zwabberen. Hij zwabberde slechts één keer een plofte toen op de grond. Eigenlijk moest ik heel hard lachen. Wat een raar gezicht was dat. Hij raakte licht gewond aan zijn been.
Aan de voorzijde, de straatkant, was ook een tuin met onder andere een granaatappelboom. De ramen van de woning waren voorzien van 'shutters' (jaloezieën). Ze waren afgedekt met horrengaas.

Onze buren

Ilandweg 9
De eerste dagen waren we vrij. Het was immers net nieuwjaar geweest. Gedurende die vrije dagen verkenden we de omgeving. Tegenover ons woonde de familie De Jong. Ook een Marine-gezin. Zoon Wim was van onze leeftijd, dochter Betty was een stuk jonger. Een jaar of 7, 8.
Naast hen, het waren alle vrijstaande huizen, stond een wat desolaat ogend huis. Het was rood bruin van kleur en de verf van de voordeur was gebladderd. Soms zag ik daar een man, slecht verzorgd en als ie met zijn rug naar me stond zag ik een grote donkere vlek ter hoogte van zijn kont en kruis. Het leek wel of ie geregeld in zijn broek deed. Getver! Hij liep ook voetje voor voetje.
Naast ons woonde een leuke Antilliaanse familie met vijf dochters en een zoontje. De familie Snijder. Ze waren stuk voor stuk sympathiek en we maakten al gauw kennis met elkaar. De oudste heetten Filomena, Ruthilde, Jacqueline en Judith. Achter ons woonde een gezin met twee dochtertjes, die een stuk jonger waren. Ze heetten Giselle en Arlene. Ze hadden ook een grotere broer die Tottie heette. Aan de andere kant naast ons woonde een Hollands echtpaar zonder kinderen. Meneer speelde viool.
Op de foto vlnr. Hanny, Tineke, twee onbekende jonge dames (waren op bezoek bij de buren), Filomena, Ruthie en Willem. Vooraan : Arlene, Betty, Giselle en Ruud.

Aankomst in Willemstad

Na zo'n tien dagen varen was het zover. Na Caracas verlaten te hebben zag ik na een paar uur in de verte een groene stip. Naarmate we dichterbij kwamen werden de kleuren nog mooier. We voeren recht op het eiland af, zo leek het. Recht voor ons was een inham te zien. Dat moest de St. Annabaai zijn, waar men het over had. Dichterbij gekomen zag ik een betonnen of stenen muur die veel weg had van een vestingsmuur, compleet met openingen voor kanonnen. Aan beide kanten bleken zich forten te bevinden.  Het eiland was sinds 1634 in Nederlands bezit. Een vreemde gewaarwording om na zo'n lange reis weer in een stukje Nederland te zijn aangekomen.
We werden geattendeerd op een brug die tegen de kade aan lag. Dat is dus de pontjesbrug van Willemstad, zoals ik die in het Douwe Egbert album Naar de West op een plaatje had gezien. Vol bewondering keek ik naar de gekleurde huizen, die qua bouw verdacht veel leken op die in Leiden en Amsterdam. We passeerden ook grote olietanks, die duidelijk zichtbaar vanwege de zilveren kleur op de heuvels te zien waren. Met grote witte letters stond Curaçao Trading  Company op een gebouw gekalkt. We voeren dwars door de stad zo leek het. Links en rechts huizen en gebouwen. Het was nieuwjaarsdag toen we aan de kade afmeerden.
We werden opgehaald door een collega van pappa, meneer De Vries. Hij maakte de foto van de aankomst. Hij bracht ons naar ons nieuwe onderkomen aan de Ilandweg op nr.9.